Welkom op ons nieuwsblog

Hoge Raad doet belangrijke uitspraken over belastingheffing in box 3

Belastingheffing box 3


Op dit moment wordt het inkomen waarover belasting betaald moet worden in box 3 berekend door een fictief rendement te bepalen. De grondslag voor die berekening is de waarde van banktegoeden, overige bezittingen (zoals aandelen en onroerend goed) en schulden op 1 januari van het jaar. Voor de drie categorieën geldt een afzonderlijk rendementspercentage. De werkelijke opbrengsten (rente, dividend, huur en vermogenswinsten) en kosten (betaalde rente op schulden) zijn niet relevant, waardoor een succesvolle belegger evenveel belasting betaalt als een onfortuinlijke.

De Hoge Raad oordeelde eind 2021 al dat het stelsel zoals dat in 2017 gold in strijd was met het discriminatieverbod en de bescherming van eigendomsrechten volgens het EVRM, vooral wanneer het fictieve rendement hoger was dan het werkelijke rendement. Het stelsel creëerde een ongelijke behandeling binnen de groep van risicovolle beleggers. De Hoge Raad besloot dat er rechtsherstel moest plaatsvinden door belasting te heffen op basis van het werkelijke rendement.

Na deze uitspraak werd de Herstelwet ingevoerd om de inkomstenbelastingheffing in box 3 aan te passen voor de jaren 2017-2022. Hoewel nog steeds forfaitair, trachtte deze wet het werkelijke rendement beter te benaderen door het vermogen op te splitsen in banktegoeden, overige bezittingen en schulden, elk met eigen rendementspercentages.

De Hoge Raad oordeelt nu dat de Herstelwet het probleem deels oplost. Voor mensen met uitsluitend banktegoeden wordt het werkelijke rendement goed benaderd. Maar dat geldt niet voor degenen met overige bezittingen. Voor alle overige bezittingen, ongeacht het soort, wordt namelijk nog steeds hetzelfde rendementspercentage verondersteld. Hierdoor blijft de ongelijke behandeling van beleggers bestaan. Dit is in strijd met het discriminatieverbod en eigendomsrechten wanneer het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. De Hoge Raad oordeelt daarom dat belastingheffing in box 3 voor iedereen moet plaatsvinden op basis van het werkelijke rendement.

De Hoge Raad heeft ook regels gegeven voor de berekening van het werkelijke rendement, dat het gehele vermogen moet omvatten. Het gaat om het nominale rendement, dus zonder rekening te houden met inflatie. Met het positieve of negatieve rendement in andere jaren wordt geen rekening gehouden. Het werkelijke rendement omvat niet alleen voordelen die uit vermogensbestanddelen worden getrokken, zoals rente, dividend en huur, maar ook positieve en negatieve waardeveranderingen van die vermogensbestanddelen. Ook ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het werkelijke rendement. Met kosten wordt geen rekening gehouden, met een uitzondering voor rente van schulden die tot het vermogen in box 3 behoren.

Als het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement en de belastingplichtige kan dat aantonen dan wordt de belastingaanslag verlaagd. Er wordt geen rente vergoed door de Belastingdienst, behalve in zeer specifieke gevallen.

Op dit moment is nog onduidelijk hoe de belastingdienst deze uitspraak gaat uitvoeren. Uiteraard houden wij de ontwikkelingen in de gaten. Als u meer wilt weten over deze uitspraak en wat deze betekent voor uw specifieke situatie dan kunt u natuurlijk contact met ons opnemen.